Doorgaan naar artikel

Meer aflossen dan afschrijven

Sinds 2015 is de gemiddelde verhouding tussen aflossen en afschrijven gekanteld, mede te danken aan het beleid van de banken. Gemiddeld werd vorig jaar 19% méér afgelost dan afgeschreven. Dat is positief maar geeft ook risico’s.

De mate van afschrijven en aflossen is in de melkveehouderij een vaak terugkomend thema. Aflossen is het terugbetalen van de financiering vanuit de cashflow. Afschrijven is de boekhoudkundige waardevermindering. Meer afschrijven dan aflossen geeft op korte termijn ­financiële ruimte. Maar een ondernemer eet daarbij wel zijn bedrijf als het ware op. Verder kunnen hierdoor de fiscale winst en de belastingdruk oplopen terwijl er geen geld voor ­beschikbaar is.

Voor de lange termijn is het belangrijk dat het tempo van aflossen en afschrijven een gelijke trend hebben. Dat betekent dat als een machine of gebouw versleten is – en is afgeschreven – ook de lening die is opgenomen voor de investering is afgelost. “Wel is in het ­algemeen wat extra marge nodig doordat eenzelfde machine of gebouw na verloop van tijd bijna altijd duurder is”, aldus Jan Breembroek, directeur Agro Advies bij Flynth. Veehouders die de financiële spelregels van evenwicht tussen aflossing en afschrijving volgen, kunnen naast het doen van nieuwe investeringen het bedrijf bij de tijd houden, uitbreiden of overdragen.

Er is echter een complicerende factor: melkveehouders investeren ook in activa die niet slijten: grond. Daarvoor wordt ook geld geleend. Aan de andere kant kan een veehouder investeringen vanuit de cashflow wel afschrijven, maar hoeft die niet af te lossen. Bij individuele investeringen is het echter wel belangrijk dat aflossing gelijk oplopen met de afschrijving.

Financieringsbeleid banken

Historische cijfers laten zien dat de financiering met vreemd vermogen al decennialang toeneemt in de melkveehouderij. Vanaf 2009 stijgt de financiering per kilo melk niet meer structureel, vanaf 2010 schommelt het per jaar en sinds 2015 is de daling van lang vreemd vermogen per kilo melk echt ingezet. Vorig jaar was de gemiddelde financiering bij de bedrijven van Flynth € 957.421 of € 1,02 per kilo melk.

Daarbij speelt een aantal aspecten een rol waaronder het financieringsbeleid van banken, aldus Breembroek (zie kader). In het verleden waren met name zekerheid en onderpand bepalend. Door de waardestijging van de grond steeg ook de financieringsruimte voor een bedrijf. Dat maakte de sector afhankelijk van de waarde van de grond wat een in combinatie met de lage rente van de laatste jaren een risico vormt. Banken betrekken nu veel meer de kasstroom van een bedrijf en dus de capaciteiten van de ondernemer. Ook is er in het algemeen meer aandacht voor het in evenwicht brengen van aflossen en afschrijven.

Om dit gegeven nader te onderzoeken heeft Breembroek het niveau van afschrijven en aflossen uit het klantenbestand op een rij gezet. Hij keek daarbij naar de niveaus van 2010 tot en met 2017. Er is daarbij onderscheid gemaakt tussen alle bedrijven, en de 25% bedrijven met de hoogste bruto geldstroom per 100 kilo melk (zie tabel). Dat is de vergoeding voor inzet van arbeid en vermogen door de ­ondernemer. Deze categorie heet de kopgroep.

De cijfers geven duidelijke trends aan maar Breembroek benadrukt dat er wel onzeker­heden zijn. Dat komt doordat het lastig is rekening te houden met de balansstructuur van bedrijven. “De beoordeling van de financiële positie van een pachtbedrijf is heel anders dan van een bedrijf met alle grond in eigendom.” Daarnaast heeft Flynth niet exact geregistreerd wat het karakter van de leningen is. “De financiering met vreemd vermogen en de aflossing ervan zijn bekend. Maar er zitten ook familieleningen bij en andere vormen van financiering naast de hypotheken.”

Aflossing stijgt, afschrijving daalt

Uit de resultaten in de tabel blijkt dat het gemiddelde melkveebedrijf in 2017 een lang vreemd vermogen had van € 950.748; dat is € 1,02 per kilo melk. Tot en met 2015 schommelt dat kengetal rond de € 1,10 maar sinds 2015 is de daling ingezet en stabiliseert op het huidige niveau. Door het in absolute zin stijgen van de financiering neemt ook de aflossingsverplichting toe: van € 28.997 in 2010 naar € 44.764 per jaar. De werkelijke aflossing steeg echter nog harder: van € 37.525 in 2010 naar € 58.732 vorig jaar. Dat komt terug in het percentage aflossing van het lang vreemd vermogen; dat is gestegen van 4,97% in 2010 naar 6,18% in 2017.

Aan de kant van afschrijven is een ander beeld te zien. De totale afschrijving daalt van € 57.731 in 2010 naar € 49.372. Per 100 kilo melk is dat een daling van € 8,20 naar € 5,27.

Door het toenemen van de aflossing, daling van de financiering per kilo melk en afname van de afschrijving verandert de verhouding tussen aflossing en afschrijving sinds 2015. Voor die tijd was de verhouding structureel ­lager dan 1; na 2015 is het verhoudingsgetal hoger dan 1. In 2016 ligt de aflossing ten opzichte van afschrijving 39% hoger; in 2017 is dat 19%. Bij de kopgroep ligt de aflossing ‘slechts’ 11% hoger; waarschijnlijk door de ­hogere financiering. Opvallend is dat extra ­aflossing over de jaren heen varieert, maar ­gemiddeld in elk jaar meer wordt afgelost dan nodig voor de bank, ook in een slecht melkjaar. Dat komt vanzelfsprekend op het conto van een kleiner aantal bedrijven.

In de tabel hiernaast is nader gekeken naar het verschil tussen bedrijven met een hoger of lager verhoudingsgetal dan 1. Lager dan 1 betekent relatief meer aflossen; hoger dan 1 is meer afschrijven. Qua aantal bedrijven zijn er meer bedrijven die meer aflossen dan meer afschrijven. Gemiddeld zijn de royale aflossers een fractie groter en hebben een hogere winst per 100 kilo melk. De kritieke melkprijs ligt circa € 3 per 100 kilo hoger, waarschijnlijk door een hogere financiering. Deze bedrijven lossen zelfs tweemaal meer af dan ze afschrijven.

Volgens Breembroek staat de sector op basis van deze cijfers goed bij. Dankzij de goede melkprijs hebben bedrijven extra af kunnen lossen. “Maar mogelijk is minder geïnvesteerd, dat lijkt zo door de verminderde afschrijving. Het risico bestaat dat de moderniteit achter gaat lopen.” Een deel van de hoge aflossers zijn waarschijnlijk ondernemers die in de eindfase van het quotum nog geïnvesteerd hebben en dat versneld aflossen. Verder is de hogere kritieke melkprijs volgens Breembroek een indicatie dat die groep even pas op de plaats maakt en beschikbare middelen gebruikt voor aflossing. “Bedrijven met een marge hebben immers de keuze: aflossen of investeren.”

Hoger winstniveau nodig

Dat bedrijven de afgelopen jaren meer zijn gaan aflossen is in beginsel een positief ontwikkeling. Maar er zit, naast het risico op een verminderde moderniteit op bedrijven, een adder onder het gras. Als er te weinig afschrijvingen zijn, moet de aflossing uit de winst komen. Er is dan steeds een hoger winstniveau nodig om aan de aflossingsverplichting te kunnen voldoen. De impact daarvan op bedrijven is sterk afhankelijk van de schuldpositie, type ­investeringen en aflossingstermijn.

Breembroek herhaalt dat bedrijven moeten streven naar een aflossing en afschrijving die in balans zijn. Het optimum zal echter per bedrijf verschillen. Een meerjarenbegroting kan als handvat dienen en aangeven als de ­situatie dreigt te ontsporen. Aan de hand van de begroting kan een ondernemer met zijn adviseurs bepalen of en wanneer maatregelen nodig zijn.

Share this

Gerelateerde artikelen

Beheer
WP Admin